De geschiedenis van onze clubErgens eind jaren 90, de precieze datum is niet meer te achterhalen, werd vanuit de gemeente via Lumens gestimuleerd om buutbewoners te activeren. Er werd een oproep geplaatst in het wijkblaadje om een tafeltennisclub te starten in buurthuis t' Bellefort aan de Iepenlaan in Philipsdorp. Hieruit ontstond onder voorzitterschap van Peter Goevaers de eerste vereniging. We konden oude tafels van de PPT Tafeltennisclub overnemen. Na een aantal jaren goed gedraaid te hebben was er minder animo en uiteindelijk geen plaats meer in 't Bellefort voor de club.
Enklele leden uit Drents dorp wilden hun vakantie tafeltennisclub voortzetten in een club met een vaste speelavond, dat werd de maandag avond. Ze konden de tafels overnemen en maakten een nieuwe start in buurthuis Oes' Hoes in Drents Dorp.
Hier ontstond een nieuwe club met een aantal nieuwe leden. We konden helaas maar 2 of 3 tafels kwijt in de kelder, de vloer was vaak plakkering van de cola (kinderdisco) en de discobal aan het plafond maakte vaak onbedoeld deel uit van het spel. De avonden aan de bar met Henk en Marian waren in die tijd erg gezellig en het kon nogal eens laat worden.
De gemeente had andere plannen met Oes Hoes, slopen! We moesten op zoek naar een andere ruimte. Dat werdt Buurtcentrum de Lievendaal in de gelijknamige buurt. De vaste speelavond wijzigde naar dinsdagavond. De zaal is groter en hoger dan bij Oes Hoes wat het spel ten goede komt.
De geschiedenis van tafeltennis
De ontstaansgeschiedenis van tafeltennis is alleen te zien in samenhang
met andere takken van sport, vooral tennis. Net als bij vele sporten,
begon tafeltennis als een sociaal verzetje; het was vermoedelijk voor
het eerst gespeeld - met geïmproviseerd materiaal - in Engeland,
ergens in het einde van de 19e eeuw. Tafeltennis is, net als badminton
en het huidige tennis, afkomstig van het middeleeuwse tennis.
Tafeltennis was al populair in de vorige eeuw. In Engeland werd in 1884 octrooi
verleend op de naam "Miniature-Indoor-Tennis-Game". Dit spel werd gespeeld
met een kleine gummibal (met lucht gevuld). Het spel was ook al vroeg geïntroduceerd
in de Verenigde Staten en het is mogelijk dat het eerste materiaal al in 1887
vervaardigd werd. In 1890 werd de celluloidbal 'uitgevonden' door de Engelse
ingenieur James Gibb.
Hogere kringen
Rond 1900 was het spel bekend onder de huidige namen ("Tafeltennis" en "Ping-Pong"),
en verschillende merknamen als "Gossima", "Flim-Flam", "Pim-Pam" (Frankrijk)
en "Whiff-Whaff" (Amerika). Aanvankelijk werd het spel in speciale
clubs en cafés gespeeld. In 1899 werd in Berlijn de "1e Berliner
Tennis und Ping-Pong Gesellschaft" opgericht. Er werden zelf al snel 'ping-pong'-liedjes
en -kleding geïntroduceerd. Het spel bleef echter voorbehouden aan de hogere
kringen.
In 1900 werd in Engeland op de naam "Ping-Pong" octrooi verleend (onder
nummer 19070) door "J. Jacques & Son" - hierna werd het spel een
echte modegril. Er zijn vele verwijzingen en afbeeldingen van hoe het toen gespeeld
werd, meestal in een huiselijke omgeving door de hogere kringen. Toen had het
tafeltennis al een paar van zijn hedendaagse complexiteiten verkregen, maar het
werd nog steeds gezien als een 'after-dinner' amusement in plaats van een sport:
'smashes' werden als onsportief beschouwd.
In 1902 bedacht de Engelsman Good, dat het rubbermatje wat gebruikt werd voor
teruggave van muntgeld, best als bedekking van zijn tafeltennisbatje gebruikt
zou kunnen worden - dit zou je kunnen zien als een voorloper van het nu bekende
noppenrubber.
In 1903 werd in een artikel gewaarschuwd voor het dragen van een kostuum met
een gesteven overhemd en, voor de dames, een satijnen jurk. Maar verder werd
ook gedetailleerd advies gegeven over geribbeld rubber, de penhoudergreep en
tactieken.
Het was populair in Midden-Europa tussen 1905 en 1910, maar reeds daarvoor was
een aangepaste versie al geïntroduceerd in Japan, waarvan het zich later
verspreidde naar China en Korea. In West-Europa en Amerika kwam er een korte
terugval in de populariteit. Pas na de eerste Wereldoorlog groeide de interesse
weer. Het spel werd weer herontdekt in Engeland en Wales in de periode na 1920.
Toen waren het de tennisverenigingen die hun leden ook in de winter wilden bezighouden
en daarom deze wachttijden met tafeltennis bekortten. Bij koude en regen kon
in de clublokalen van de tennisvereniging het 'echte' tennisspel worden nagedaan.
Hoogte van het net en omvang van de tafels werden aan het toeval overgelaten.
In Duitsland werd het tafeltennis uitgebouwd tot een echte sport - de twee eerste
internationale kampioenschappen vonden daar plaats. In die jaren rond 1925 werden
Nationale bonden geformeerd. Ook de standaardisatie van de regels begon, zowel
in Europa als in het verre oosten.
In 1926 is de ITTF (International Table Tennis Federation) gevormd in Berlijn
met Denemarken, Duitsland, Engeland, Hongarije, India, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije,
Wales en Zweden als leden. Later dat jaar werd de USA ook lid.
Sommige veranderingen - een verlaging van het net, een tijdsregel tegen onaantrekkelijke
wedstrijden tussen verdedigende spelers en regels ter voorkoming van extra voordeel
voor de serveerder - werden geïntroduceerd in de jaren na 1930.
In het seizoen 1931/1932 bepaalde de ITTF, dat er geen onderscheid meer gemaakt
mag worden tussen profs en amateurs - er zijn alleen nog maar 'spelers'. Vanaf
ca. 1930 tot 1950 was tafeltennis verboden in de voormalige Sovjet-Unie omdat
het spel als onveilig voor de ogen werd beschouwd.
De USTTA (United States Table Tennis Association) werd opgericht in 1933 en sloot
zich aan bij de ITTF. De in 1930 opgericht Amsterdamse Tafeltennis Bond sloot
zich in 1933 ook aan bij de internationale federatie. In 1935 werd de NTTB (Nederlandse
Tafel Tennis Bond) opgericht.
In 1936 (nog voor invoering van de tijdsregel) kwam de langste rally tot stand,
die bij tafeltennis ooit plaatsvond - bij de WK in Praag werd 2 uur lang gestreden
om 1 punt! Tevens werd toen door 2 andere spelers de langste partij ooit gespeeld
- na 7 uur werd de partij in de 5e game afgebroken! Hierna werd de tijdsregel
ingevoerd.
In de jaren 50 was er in de tafeltenniswereld veel ophef over het gebruik van
sponsrubber. In 1952 verraste de Japanner Satoh met zijn nieuwe rubber iedereen
en werd onbedreigd wereldkampioen. De dikte van het rubber zorgde voor een soort
katapulteffect, waardoor er enorme snelheden aan de bal werden gegeven. In defensief
opzicht hoefde men alleen de bal tegen te houden, zo groot was de veerkracht.
Deze revolutie noopte de Oostenrijkse bond tot het voorstel om twee internationale
federaties op te richtten, een voor sponsspelers en een voor de rest. Pas in
1958 besloot de NTTB het sponsrubber te verbieden. In 1959 volgde de ITTF het
besluit van veel nationale bonden.
In 1957 was de ITTF zodanig gegroeid, dat besloten werd om continentale bonden
op te richten - De Europese Tafeltennisbond ontstond; deze naam werd later veranderd
in de ETTU (Europese Tafeltennis Unie).
In 1961 werd de tijdsregel gewijzigd tot een 'versnellingsregel'; na 15 minuten
spelen moeten alle volgende punten binnen een serie van 12 slagen behaald worden...
In 1971 was de USA-tafeltennis-delegatie naar China voorpaginanieuws onder de
kop "Ping-pong diplomatie". Het uitstapje creëerde niet alleen
grotere bewustwording voor de sport maar plaveide ook de weg voor betere diplomatieke
verhoudingen tussen de Verenigde Staten en China.
Gedurende de jaren na 1960, ontwikkelde tafeltennis zich tot een wereldwijde
sport, beoefend door zo'n 40-miljoen spelers in competitieverband en door ontelbaar
veel meer spelers die het spel wat minder serieus spelen. Het spel is in essentie
niet veranderd sinds de beginjaren, maar is echter wel sneller, subtieler en
veeleisender geworden - zelfs in vergelijk met maar twintig jaar geleden.
Vanaf 1960 begon China de Wereld Kampioenschappen te domineren. Dit duurde tot
1980, toen tafeltennis in de Olympische Spelen werd geïntroduceerd. Vandaag
de dag zijn Europeanen de hoogst gerangschikte spelers bij de mannen; bij de
vrouwen domineren de Aziatische landen.
Tafeltennisclub Strijp, Eindhoven